| |
 |
 Bloedbad
maatschappij
|
14 Maart 2012 | 14:32:52
 |
Het is de laatste dag van januari. Daar zitten we. 1431 collega’s en ik. In de Brabanthallen. De directeur wil iets kwijt. De tekst op de officiële uitnodiging is luchtig van toon. Desondanks kijkt niemand blij.
Wachtend op het begin van de toespraak, besef ik dat de Brabanthallen oorspronkelijk gebouwd zijn om de wekelijkse veemarkt plaats te laten vinden. Ik voel me raar. Het bedrijf, waar ik al jarenlang zingend naartoe fiets, heeft mij op dit ene moment gedegradeerd tot nummer, tot vee. Met honderden bijeengedreven, wachtend op… Waar wachten we eigenlijk op?
De directeur betreedt het podium.
“Goedemorgen allemaal. Per één april gaan we van honderdvijftig collega’s afscheid nemen.” De zaal verstomt. Een heel verhaal volgt. Braaf kijkt iedereen naar het podium. Slechts weinigen horen de woorden. Honderdvijftig, honderdvijftig. Bij sommigen bonkt dit getal zo hard door hun hoofd, dat de echo bijna hoorbaar is.
Drie weken gaat het duren, drieentwintig dagen om precies te zijn, voordat bekend wordt wie er gaat vertrekken. De schifting gaat volgens wettelijk bepaalde procedures, dus deels willekeurig. De kracht van de suggestie maakt dat iedereen denkt ‘veilig’ te zijn. Toch stijgt de spanning en angst naarmate de datum nadert. Zelf ben ik er kalm onder. Er is een prima sociaal plan en ik heb me voorgenomen een eventueel ontslag niet als negatief te zien, maar het als nieuwe kans te benutten.
Op de ‘dag des oordeels’ hoef ik niet te werken. Het maakt niet uit. Elke werknemer ontvangt thuis een brief met de beslissing. Mijn postbode bezorgt pas laat in de middag, dus ik vertrek met de kinderen naar de meubelboulevard, die in dezelfde straat zit als het bedrijf. Om half tien ’s ochtends krijg ik een telefoontje. Mijn werk. Onze hele afdeling mag blijven. Met gemengde gevoelens neem ik de boodschap aan en besluit te gaan polsen wat er aan de hand is.
Lachende mensen, huilende mensen, gelatenheid, opluchting. De onrust vliegt mij al bij binnenkomst naar de keel. Ik hoor namen van slachtoffers, kan mijn oren niet geloven. Gewaardeerde collega’s die tien, twintig, tot zelfs drieendertig jaar in dienst zijn, worden met één telefoontje werkeloos. Hele afdelingen worden weggevaagd. Een vieze smaak borrelt op.
Ik werk nu ruim vijf jaar op deze plek en ben vanaf dag één trots geweest op het bedrijf. Mijn collega’s, de werkomstandigheden, begrip. Het is er altijd, allemaal. En nu, ook al zit ik niet bij de slachtoffers, is dat gevoel verdwenen. Ik ben boos. Voel me zelfs een beetje schuldig.
Vanochtend op de fiets werd ik overvallen door stilte.
Voor het eerst in vijf jaar heb ik geen behoefte om te zingen. |
|
|
 |
 |
 Exodus
gein en ongein
|
14 Maart 2012 | 14:30:29
 |
“Kom op, rennen!”
“Alleen als je belooft geen lawaai te maken. Het is half drie ’s nachts.” In Marie’s oude pyjama sluipren ik achter Bram aan door de ijskoude nacht, waarin elk minimaal geluid maximaal lijkt te worden weergegeven. Op elke straathoek staat hij even stil, blaast een paar vrieswolken en rent dan in vol tempo door.
“Heb je alles?” hoor ik hem fluisteren. “De sleutel? Het gereedschap?”
Glimlachend kijk ik hem aan.
“Yep! Ik heb alle voorzorgsmaatregelen getroffen. Gelukkig zijn we er bijna.” Al lopend begin ik in de kontzak van mijn pyjamabroek te graaien naar de sleutel.
“Waar is dat ding nu weer? Ik ben hem toch niet verloren?”mompel ik te hard.
“Schiet op!”
“Jajaja, ik heb hem al.”
Soepel glijdt de sleutel in het vreemde slot. Geruisloos zwaait de deur open om met een harde bonk een muur te raken. Ondanks dat het mijn eigen schuld is, kan ik een ‘ssst’ niet onderdrukken. Bram overstemt het, al bonkend de trap op. Op de tast volg ik hem.
Het eerste dat mij opvalt is de warmte. Mijn handen voelen een trap, bekleed met prettig aanvoelende stof. Stap voor stap beklim ik hem om gedesoriënteerd boven aan te komen. Waar is Bram? Zacht fluister ik zijn naam. Links van mij schijnt een randje licht onder een deur door. Onbestemde geluiden kruipen ook door de gleuf.
“Geef even het pleepapier.” De deur gaat een klein stukje open. Met mijn neus dicht geef ik het papier aan hem en ga op zoek naar een lichtknop. Ik sta in een keuken. Er staat een fornuis en een koelkast. Verder onderzoek levert een vaatwasser op. De kastjes zijn leeg. Ik laat warm water over mijn koude handen stromen. Heerlijk.
Vandaag hebben wij voor drie weken afscheid genomen van onze Wc en douche. Al maanden naderde een ijzeren karkas ons huis en nu de steigers zich als een cocon om ons heen gevouwen hebben is het tijd voor ons om af te zien. Een sleutel van de ‘rust/douche/Wc-woning’, die we met meerdere buren mogen delen, heb ik gekregen als schrale troost op een ijskoude wond. Het is tien minuten lopen en juist vandaag wordt Bram geveld door een buikgriep.
“Mam?”
“Ja?”
“Heb je de rest van het gereedschap?” Snel duw ik luchtverfrisser en een Wc-borstel in zijn handen. ’Als het straks klaar is, wordt het echt prachtig.’ Buurvrouw’s stem galmt door mijn hoofd. Tuurlijk, het wordt prachtig, maar drie weken zonder sanitair en verwarming in januari? Ik probeer mezelf voor te houden, dat onder die cocon iets prachtigs groeit. Soms werkt het.
Een uur later word ik, met een pijnlijke plek op mijn voorhoofd, wakker. Het duurt even voor ik besef waar ik ben. De warmte in het huis heeft me met mijn hoofd op tafel in slaap laten vallen.
“Mag ik in dit huis slapen, mam? Anders blijf ik je maar wakker maken.” Als dieven in de nacht verhuizen we een riant luchtbed en beddengoed naar de woning. We checken of we elkaar telefonisch kunnen bereiken, voordat ik mijn bed thuis weer opzoek.
Anderhalf uur later wekt warmte mij. Vochtige warmte. En geluid. Hard geluid. Marie staat voor mijn bed. Huilend. Sorry roepend. Het duurt even voordat ik besef wat die warme kleverige massa, die door mijn dekbed heendringt, is. Snel prop ik hem in een vuilniszak, pak mijn dochter op en verhuis haar naar het luchtbed.
Tegen de ochtend stop ik met vloeken op alles -de woningbouw, buikgriep- en iedereen en geniet van een lange, warme douche. Zelfs mijn buik lijkt mee te spinnen als een tevreden kitten.
Of?
Onee! |
|
|
 |
 Tuimelaar
diversen
|
15 Januari 2012 | 21:40:51
 |
Balend loop ik naar de bushalte. Ik mis mijn fiets. De twintig minuten, die ik er over doe om met de fiets thuis te komen, benut ik om de knop ‘werk’ om te zetten naar ‘privé’. In de bus lukt dat niet. Ik begrijp niet waarom. Het zal wel iets met ‘teveel prikkels’ zijn.
Tegen de wand van het bushokje staat een man geplakt. In zijn hand draagt hij een leeg Albert Heijntasje dat een beetje doelloos op en neer wappert.
“Háállo”, zegt hij, net iets te hard. Ik groet terug. Zachtjes, maar hoorbaar, proberend er een ‘laat me met rust’-intonatie in te leggen.
“Gaat u ook naar de stad?” De man komt los van de glazen wand. Blijkbaar heb ik mijn boodschap niet goed verpakt.
“Nee, ik ga naar huis.” Beleefd ongeïnteresseerd, hoop ik.
“Ik ga pyjama’s kopen. Twee. Als ik geld genoeg heb. Ik krijg maar vijfentwintig euro per week.” Inmiddels wiebelt hij, met stijf lichaam, van zijn ene been op het andere. Een tuimelbeker, daar doet hij me aan denken. Ik was er dol op als kind. Een tuimelbeker met een halfzachte Albert Heijnballon. Mijn interesse groeit.
“Goh, dat is niet veel, maar gelukkig is het uitverkoop.”
“Ja, misschien kan ik er wel twee kopen.” De man vertelt dat hij met twee andere mensen in een huis woont en dat hij werkt op de sociale werkplaats. Hij draait leidingen in elkaar. Drie dagen per week. De hele dag. Voor één euro per dag. Eén euro. En dan zeggen ze dat slavenarbeid niet meer voorkomt in Nederland..
“Ja, het is niet veel, maar wat moet ik anders de hele dag, hè?”
“Tja…”
“Ik ga geen carnaval vieren”, valt vanuit het niets. “Nee, ik ben veel te oud en kan het niet meer. Kijk eens naar al die rimpels.” De man heeft inderdaad een doorleefd gelaat. Diepe lijnen lopen over zijn wangen naar zijn gebitsloze mond. Ik probeer zijn leeftijd te schatten. Vijftig? Zestig? Zeventig? Geen idee. Hij kijkt mij ook peinzend, nog steeds wiebelend, aan.
“Tegen een dame als jij mag ik niet zeggen dat ze heel veel rimpels heeft, hè?” vraagt hij.
Een kilte verspreidt zich door mijn lichaam. Ik wil die tuimelbeker omschoppen. Rimpels, oké. Maar veel rimpels? Néé! Het slappe tasje lijkt weer belachelijk. Deze stomme man heeft alle complimenten van de afgelopen tien jaar met één opmerking weggevaagd en vervangen door twee woorden: Veel rimpels. Pseudoniem voor ‘stokoud’, ‘bijna honderd’, ‘erg lelijk’ en ‘bijna dood’.
Een vrouw met een hond loopt langs het bushokje.
“En tegen een dame mag je ook niet zeggen dat haar hond veel te dik is”, fluister ik venijnig. Samenzweerderig lacht hij naar me.
“Dat doe ik ook niet. Ik vind de hond mooi.” Nog een emmer ijswater valt over mij heen.
De bus.
Snel ga ik op een eenpersoonsstoel zitten. De man gaat aan de andere kant van het pad zitten. De gehele rit probeert hij mijn blik te vangen, maar ontwijk ik hem, mezelf inprentend dat ik niet zo overdreven moet reageren.
“De man bedoelt het goed”, gooit de engel in mijn hoofd nog wat olie op het vuur van de duivel.
Als ik opsta om uit te stappen wenst de man mij nog een fijne dag. Ik kan nog net een groet over mijn lippen krijgen en slik de wens, dat elke pyjama in de stad voor eeuwig uitverkocht is en de man de rest van zijn leven in zijn blote kont moet slapen, in.
|
|
|
 |
 Door duisternis gevangen
persoonlijk
|
11 Januari 2012 | 16:17:23
 |
Zacht klop ik op de deur voor mij. Geen reactie. Nogmaals, iets harder, laat ik mijn knokkels op het witgeschilderde hout roffelen. Een zachte grom is het resultaat.
“Laat me even binnen.” Even is het stil, gevolgd door gekraak van het bed en het openschuiven van de knip.
“Even wachten”, klinkt, zoals elke keer, wanneer ik deze kamer probeer te betreden.
Voetje voor voetje en met mijn armen gestrekt als een slaapwandelaar, probeer ik op de tast mijn weg te vinden in de geheel verduisterde kamer. Als mijn scheenbeen ergens tegenaan stoot, buk ik mij en voel stof van de bank. Voorzichtig ga ik zitten.
“Hoe is het vandaag?”
“Ga weg.”
“Gaat het wat beter?” Domme vraag. Langzaam begin ik vormen te herkennen in de kamer en steek mijn hand uit om over de, naar mij toegekeerde, rug te wrijven. Hij laat het toe, maar geeft geen antwoord.
“Heb je ergens zin in, iets te eten of te drinken?”
“Neeheehee, mam, hou op met zeuren.”
“Jongen, het is vier uur ’s middags en je hebt nog geen druppel gedronken en nog geen hap gegeten.”
“Nou en?” Ik zucht.
“Heb je zin om zometeen een stukje met me te gaan lopen?”
“Weet ik niet.”
“Dat hebben we gisteren wel afgesproken, toch?”
“Ik weet het niet. Ga weg. Ik heb hoofdpijn.” Een paar minuten blijf ik stilzwijgend zitten. Ik wil er zijn voor hem, maar besef dat die behoefte voornamelijk vanuit mij komt. Hij wil alleen zijn, zoals hij al een half jaar alleen wil zijn.
“Ga je weer naar beneden, mam? Alsjeblieft?”
“Dat is goed, ventje. Ik kom je nog wel even wat eten en drinken brengen, oké?”
Mijn terugweg is, ondanks beter zicht, altijd moeilijker dan de heenweg. Wanneer ik bijna bij de deur ben, kraakt het bed. Ik stop.
“Mam, ben jij trots op mij?” Door de brok in mijn keel kan ik even niets zeggen. Beseffend dat mijn antwoord snel moet komen om overtuigend te zijn, herpak ik mij en vertel hem dat ik enorm trots op hem ben.
“Waarom dan? Ik doe niets.”
“Jij doet niets? Jij doet niets?” roep ik verontwaardigd, “Je doet enorm jouw best om beter te worden. Noem dat maar niets!” Ik voel een zwakke glimlach bij hem en ga door: “En dan de manier hoe jij mensen kan laten lachen, hoe jij me helpt, wanneer je het kan. Hoe jij banden plakt, hoe jij meedenkt met me, als ik iets vertel. Noem je dat niets? Ik ben beretrots op je en zal dat altijd zijn!” Ik hoor hem naar mij toedraaien.
“Echt?”
“Mega-echt.”
“Wil je nu alsjeblieft weggaan?”
Als ik eten sta te maken, staat hij ineens achter me. Voor het eerst in drie dagen is hij beneden. Ik sla mijn armen om zijn nek en houd hem vast, over zijn rug wrijvend.
“Ik ga zo schilderen, doe je mee?”
“Oké. Roep me maar.”
Nadat hij boven gegeten heeft, roep ik hem. Hij komt opvallend snel en grijpt een kwast en de zwarte verf. Zijn doek wordt zwart, net als zijn wereld, zegt hij. Ik vraag hem hoe hij zijn wereld zou willen zien. Hij pakt de rode verf.
“Oeh, de kleur van de liefde”, glimlach ik. “Logisch, want je hebt heel veel mensen, die jou lief vinden.” Een beetje verlegen hoort hij alle namen aan en schildert een rode tunnel op het doek, voordat hij overgaat op groen.”
“Betekent groen ook iets?”
“Jaloezie. Ben je weleens jaloers?”
“Ja. Op iedereen die niet ziek is.”
“Logisch, maar jij wordt ook weer beter.” De kleuren op het doek vormen inmiddels een surrealistisch landschap met de rode tunnel prominent in het midden.
“Mooi.”
“Het is nog niet af, hoor.” Met grove streken maakt hij knalblauwe wolken en een felgele zon.
Even lijken zijn ogen wat minder leeg en zijn teint wat minder bleek.
“Ik moet weer naar boven nu. Kom jij zo nog even naar me toe?” Nadat ik met hem afgesproken heb een film te komen kijken, strompelt hij weer de trap op, mij blij achterlatend.
Elke minuut contact voelt als een overwinning. Voor mij, maar ook voor hem.
Misschien wil hij vandaag wel een nachtzoen. |
|
|
 |
 Balkenbrijblues
persoonlijk
|
11 Januari 2012 | 16:16:09
 |
Met twee handen laat ik een kilo rundvlees in de pan met vijf liter kokend water zakken. Zes gesneden speklappen volgen. Gisteren heb ik in een geurig kruidenwinkeltje, waar ze specerijen nog met een ijzeren schep in zelfgevouwen zakjes doen, nagelgruis gevonden. Het is elk jaar lastiger om er aan te komen.
“Nagelgruis? U gaat zeker balkenbrij maken?”
“Ja, een Kerst zonder balkenbrij is niet compleet. Mag ik tweehonderd gram, alstublieft?”
Op het moment dat het gruis mijn vleesbouillon een vieze, grijsbruine kleur geeft en die specifieke geur vrijkomt, zie ik mijzelf en mijn zussen, springend om de grote, gietijzeren pan op de houtkachel in mijn ouderlijk huis, voor me. Uren staat hij al te pruttelen. “Wanneer mogen we het eten? Wanneer mogen we het eten?” Mijn moeder -wat is ze nog jong- herhaalt voor de zoveelste keer dat het morgenvroeg pas zover is.
“Mam, wanneer is het klaar?” Marie hangt met haar neus boven de pan.
“Morgenvroeg, meisje. Straks komt oma voor het zware werk en vannacht moet de balkenbrij rusten.” Het ontzag in haar ogen is van hetzelfde kaliber als het mijne, dertig jaar geleden. Rustend eten. Zo gek.
Terwijl de geuren uit de pan mijn huis vullen, komen vergane feestdagen ter sprake. We lachen om de hond die ooit ons Kerstdiner opvrat, waardoor we boerenkool met worst aten en de gezelligste dag ooit hadden. Over de Kerst dat ik kasten in elkaar zette, omdat ik niet kon wachten om in mijn nieuwe huis te gaan wonen, nu twintig jaar geleden.
Zelfs met een renovatie in het vooruitzicht ben ik hier nog steeds blij, besef ik. Dit huis is mijn oerhuis, het draagt mijn tijdsstempel. Op deze plaats ben ik gaan bloeien.
“Waarom vind je dit huis zo fijn, mam?” Even denk ik na en leg dan uit dat, wanneer ik iemand honderd huizen laat zien en ze daarna vraag welke van mij is, negenennegentig procent het juiste kiest.
“Het huis ademt mij, ademt jullie. Deze donkere dagen versterken dat gevoel.”
De afgelopen jaren echter laat de Kerstsfeer het een beetje afweten. Vorig jaar was ik ziek. Gelukkig kwam mijn Nieuwjaarswens om beter te worden uit. Helaas werd daarna Bram ziek. Mijn lieve, vrolijke, moeilijke monster zakte vanaf de zomer langzaam in een heel diep dal. Ik hield mijn hart vast voor de winter.
“Koop je nog nieuwe lampjes voor in de boom?” De bovenste helft van onze boom staat in duister gehuld door een kapotte lichtsnoer, maar ik besluit ter plekke dat het wel past bij dit jaar. Een paar flonkertjes zijn zichtbaar in de piek, als belofte dat volgend jaar weer de gehele boom gevuld zal zijn met licht.
“Nee, ik vind hem prima zo.”
Oma komt. Keurt mijn kookwerk en klakt tevreden met haar tong. Het gaat goed in de pan. Ze voegt drie eetlepels zout toe en dan kan het grote werk beginnen. Drie pakken boekweitmeel en bordjes worden op het aanrecht gezet. Ik kijk mijn moeder aan. Ze knikt, strooit wat meel in de pruttelende bouillon en begint te roeren. Met elk beetje meel wordt de massa wat steviger. Bij puddingdikte neemt Marie het over. Met twee handen houd ik de pan vast om tegenwicht te bieden. Als het voor mijn dochter te zwaar wordt, is het mijn beurt. Oma moedigt aan. Het geluid van de draaiende massa klinkt als een vermoeide mantra. ‘Puff, pfft, puff, pfft’
“Puffen! Kom op, puffen. Nog even. Het is er bijna. Ja, een jongen! Het is een jongen.”
“Hij is goed.” Oma trekt aan mijn arm. Ik beweeg hem even om het ronddraairitme eruit te krijgen. Marie is al bezig om de balkenbrij op met meel bestoven borden te scheppen. In razend tempo modelleren we de brij erop. Alle puflucht moet er weer uit.
Ons Kerstontbijt rust vannacht op een vrijgemaakte plank.
“Koffie?”
“Ja, lekker.”
“Het is al donker. Kerstavond”, bedenk ik, haar blik volgend naar de ‘halve’ boom.
“Hij staat er mooi bij.” Ik glimlach. Ze begrijpt me.
“Wat een jaar was het weer, hè? Ik hoop zó op een goed 2012.”
“Mijn Nieuwjaarswensen gaan naar ons Bram”, belooft ze.
“Ik houd ze maar wat algemener dit jaar", zucht ik. "Klokslag twaalf uur wens ik dat iedereen zoveel mogelijk goeds op gaat pakken in 2012 en de minder goede dingen zoveel mogelijk laat liggen… En dat Bram beter wordt, dat ook. Vooral dat.” |
|
|
 |
 Tot de dood ons bindt
fictie
|
11 Januari 2012 | 16:11:36
 |
“Doe het niet”, fluistert hij. De toon van zijn stem verraadt de moeite die het kost om de woorden te produceren.
“Ik wil het echt.”
“Een foutere man dan mij kun je niet treffen.” Met een grom in jouw haren probeer ik de ernst, die plots ontstaan is, te ontkrachten. De intieme sfeer van een paar minuten geleden weer terug te lokken. De kracht van de armen om mij heen verzwakt.
Vanuit de uiterste hoek in de kamer kijkt hij me aan. Zijn gezicht nog porseleiner dan anders. De afstand tussen ons is maar een paar meter, maar voelt aan alsof hij op Antarctica zit en ik op de Malediven. Voorzichtig zet ik een paar passen in zijn richting, maar stop als hij zich met zijn hele gewicht tegen de muur aandrukt. Hij wil het echt niet.
Argumenten. Ik besluit de strijd aan te gaan, voel me vreemd loom en kijk hem uitdagend aan.
“Wil je mij dan niet meer?”
“Dat is niet eerlijk. Je weet wat er speelt.”
“En ik wil je nog steeds. Het maakt me niet uit. Noem mij één reden om me van gedachten te laten veranderen.”
“Ik weet er duizend. En jij ook.”
“Geen enkele is voor mij overtuigend genoeg. Ik ben niet bang voor de dood. Zeker niet met jou aan mijn zijde.”
Een waas van twijfel is in zijn donkere ogen verschenen. In twee stappen ben ik bij hem en druk me tegen hem aan. Zijn spieren spannen. Ik voel een huivering door zijn lichaam gaan. Aarzelend slaat hij zijn armen weer om me heen. Als een tevreden kitten schurk ik tegen zijn koele lichaam aan, fluister dat ik van hem houd, dat het tijd is, dat mijn familie en vrienden beter af zijn zonder mij. Elk woord dat ik zeg verstevigt zijn greep. Mijn overtuiging neemt bezit van hem. Eindelijk gaat hij overstag.
Mijn slaapkamer doet kinderlijk aan, nu ik zo’n volwassen beslissing heb genomen. Drieëntwintig uur elf.
“Zullen we wachten tot twaalf uur? Symbolisch?” vraag ik, terwijl ik mij achterover op het bed laat vallen, hem meetrekkend.
“Dat mag jij beslissen.” Een voorzichtige glimlach. Achtenveertig minuten liggen we tegen elkaar aan. Zwijgend. In de laatste minuut wijs je mij nog op de weg terug, niet beseffend dat ik die allang kwijt ben.
“Dood me.”
Een stekende pijn in mijn nek. Mijn lichaam beweegt, ongecontroleerd. Geen levensfilm, slechts wolkengevoel, wollig warm wolkengevoel. Het voelt alsof ik gewiegd word, steeds sneller, steeds…
Met een ruk open ik mijn ogen. De kamer om mij heen voelt vreemd bekend. De klok geeft zestien minuten over vier aan. Naast mij ligt mijn vriend. Voor het eerst sinds ik hem ken kust hij me. Met woeste passie. Even. We staan op. Het is tijd om te gaan. Voor de laatste keer kijk ik rond, lach naar hem en mijn ontbrekende spiegelbeeld.
De kilte van de nacht omarmt ons.
|
|
|
 |
 Gezichtsbedrog
diversen
|
11 Januari 2012 | 15:55:43
 |
Elke hint negerend hield ik van jou. Met heel mijn tienerhart. Eigenlijk had ik helemaal geen zin in een vriendje. Drie baantjes hielden mijn hoofd boven water en mijn agenda gevuld. Schuiven met tijd was vrijwel onmogelijk, dus probeerde ik het niet eens meer. En toen liep jij de kroeg binnen waar ik elke avond achter de bar stond. Een foute kroeg, waar ik regelmatig vechtpartijen beslechtte en waar in de hoeken stiekem vuile zaakjes beklonken werden. Je paste er en toch ook niet.
Vanaf dat moment liep je elke avond even binnen voor een glaasje en een onbeduidend praatje. Na een paar weken begon ik uit te kijken naar je. Voelde teleurstelling wanneer de deur openging en niet dat hoofd met zwarte krullen om het hoekje keek, direct op zoek naar mijn blik om, eenmaal gevangen, een brede lach te produceren die me deed smelten. Toen je me uiteindelijk vroeg of ik na sluitingstijd nog mee op stap ging, aarzelde ik geen seconde. “Natuurlijk ga ik mee!”
We belandden in een nachtclub, waar overjarige vrouwen zich ontkleedden voor geld en een biertje negen gulden kostte. Net een provinciestadje ontvlucht, keek ik mijn ogen uit. Met gemengde gevoelens. Jij lachte jouw mooie tanden bloot bij mijn naïviteit, herhaalde als een mantra hoe leuk je mij vond en na een paar biertjes geloofde ik jou. De bossen bloemen en kleine attenties, die de weken erna volgden deden de rest. Je nam me mee naar plaatsen, die ik niet kende en al gauw zegde ik mijn baantje in de kroeg op. “Je hoort niet op die plaats”, zei je steeds en dat was waar. Vond ik.
Afspraakjes maakten we niet. Jij kwam wanneer je wilde. Het kwam niet eens in mij op om daar iets tegen in te brengen. “Zaken gaan voor het meisje”, zei jij wanneer ik je een paar dagen niet gezien had. Ik had geen idee wat voor zaken je deed, maar met al die onzin wilde je mij niet vermoeien, zei je.
Jij had het er liever over wat ík in de tijd deed, dat je niet bij mij was. Zorgvuldig moest ik naar woorden zoeken. Jouw uitgebreide vriendenkring hield me dusdanig in de gaten dat ik me geen verspreking kon veroorloven. Het veroorzaakte ruzies. Ik begon me opgelucht te voelen wanneer jij weer op zakenreis moest, maar toch was ik ook steeds weer blij als je terug was. Zelfs wanneer, of misschien juist omdat, je dan soms wekenlang niets had laten horen.
De laatste zakenreis duurde niet lang. Al na een paar dagen stond jouw broer met betraande ogen op de stoep.
“Hij is dood, Arta”, viel hij met de deur in huis. “Een auto-ongeluk in Polen.”
“In Polen?” stotterde ik, in de veronderstelling dat je in de Verenigde Staten was.
“Ja, in Polen. Ik moet nu naar mijn ouders toe.” Een stijve knuffel en hij ging.
In shock dwaalde ik de stad in, eindigend waar alles ooit begon: De kroeg. Hunkerend naar informatie. Een paar van jouw vrienden wisten het al, maar leken niet overstuur. Ze waren zelfs wat lacherig. Ik begreep er niets van.
In de maanden daarna bleek dat er op de aan mij voorgelegde puzzel, veel meer stond dan ik me voor had kunnen stellen. Geen schapenwolkjes met een lief zonnetje, maar de zwarte lucht van de onderwereld. Geen landelijke tafereeltjes, maar een harde werkelijkheid van geld, drugs en vrouwenhandel. Stukje bij beetje werd jouw wereld mijn netvlies opgesmeten, terwijl ik het niet wilde zien. Je was dood. Onze herinneringen van vijf jaar samen wilde ik koesteren, maar dat kon niet, want jij had mij slechts één van jouw gezichten laten zien.
Het duurde jaren voor ik mijzelf toestond dat jouw dood me diep geraakt heeft.
Niet één traan heb ik om je gelaten, maar soms…
Soms denk ik nog aan je.
Aan je goede gezicht. |
|
|
 |
 Merode
persoonlijk
|
27 Oktober 2011 | 11:19:39
 |
Herken je dat? Zo’n situatie die begint met een klein bolletje ongemak, dat langzaam begint te rollen, steeds sneller gaat, tot er uiteindelijk een enorme composthoop voor je deur tot stilstand komt die, hoe verder je graaft, des te smeriger wordt?
Het begon me eigenlijk pas op te vallen toen de postbode mij vertelde dat hij me leuk vond. ‘En mooi’ voegde hij er de volgende dag aan toe. Elke dag kwamen er nieuwe superlatieven bij. Ik werd er gek van. ‘Het is in ieder geval goed voor je ego’, probeerde een vriendin mijn irritatie te beteugelen, onbewust van het feit dat mijn ego is geëvolueerd tot een zelfstrelend iets en totaal ongevoelig voor geslijm van anderen.
Mijn internet werkte op dat moment al niet. Ruim drie weken bidden, smeken, vloeken en klagen had ik al achter de rug. Geen probleem, probeerde ik mijzelf wijs te maken. ‘Word’ was nog te gebruiken en zonder de afleiding van het wereldwijde web had ik alle rust om een schrijfopdracht voor mijn werk af te maken. Vijftien verhalen waren vier dagen voor de deadline klaar. Ik was trots op mijzelf. Tót de eindtijd dertig uur vervroegd werd en er nog wat bedrijfspolitieke aanpassingen nodig bleken. Lichte stress. Zeventien uur voor het naar de drukker moest werd er gevraagd nog vier verhalen toe te voegen. Nieuwe.
Een kwijlende postbode, onwillend internet en een onmogelijke deadline. Ach, het kan gebeuren.
De kinderen begonnen te klagen over de kwijlende postbode, het onwillend internet en de onmogelijke deadline, die mij urenlang aan het beeldscherm gekluisterd hield, waarin ik uitspraken als ‘Zoek het zelf maat uit’ en ‘Zeik niet’ als confetti rondstrooide. Achter me hoorde ik vreemde anekdotes over de postbezorger, die de groeten liet doen aan die ‘zoepermama’. Dat mijn kinderen deze kans, om ‘zoepermama’ eens stevig aan te pakken niet lieten liggen, moge duidelijk zijn.
Een kwijlende postbode, onwillend internet, een onmogelijke deadline en klierende kinderen.
Even was er een opleving. De internetmonteur was onderweg. “Nou, mevrouwtje, ik heb het gevonden.” Hoopvol wachtte ik tot hij aan de slag ging. “Het zit in een stukje draad waar u zelf verantwoordelijk voor bent.”, klonk echter. Al mijn tegenwerpingen, over het niet in huis hebben van een schroevendraaier ten spijt, vertrok de man onverrichterzake, mij in wanhoop achterlatend.
Een kwijlende postbode, onwillend internet, een onmogelijke deadline, klierende kinderen en een klotemonteur. Mijn geduld begon op te raken.
En zo kon het zomaar gebeuren dat ik uiteindelijk zelf, vloekend en tierend, mijn internetkabel aan het repareren was in een laatste poging online te kunnen. Terwijl ik eigenlijk verhalen had moeten schrijven hing ik ondersteboven een stopcontact aan te sluiten, toen ik een enorme gil hoorde. “Máám, ik zit vast!” Marie, licht claustrofobisch, zat opgesloten in het toilet. Een half uur lang probeerde ik haar te bevrijden en te kalmeren en de inmiddels weer aanbellende postbode weg te gillen. Het lukte geen van allen. Uiteindelijk sloopte ik de deur eruit en krijste in mijn beste imitatie van ‘The Exorcist’ alsnog mijn aanbidder weg.
Een kwijlende postbode, onwillend internet, een onmogelijke deadline, klierende kinderen, een klotemonteur en een kapotte Wc-deur.
Opeens rook ik het: Het hart van die smerige composthoop. Althans, dat hoopte ik. Het bleek wederom mijn toilet te zijn. Het zat verstopt. En nee, de rioleringmijnheer had morgen pas tijd, misschien overmorgen. Gelukkig kon onze WC nog minimaal gebruikt worden. Eventjes. Twee uur later zat het ding helemaal potdicht en ondanks mijn ‘poepen mag bij de buren, matig plassen kan hier’ besloot Marie daar niet naar te luisteren. De chili con carne, van de dag ervoor, had zijn werk goed gedaan.
Een kwijlende postbode, onwillend internet, een onmogelijke deadline, klierende kinderen, een klotemonteur, een kapotte Wc-deur en een stinkend huis.
Onverwacht stapte een goede vriend binnen, die met engelengeduld mijn gemoederen wist te bedaren en me wist te overtuigen van het feit, dat het vanaf nu alleen maar beter kon gaan. Ik haalde diep adem en terwijl hij zijn koffie dronk, liet ik zijn oppeppende woorden naar binnen glijden. Langzamerhand begon ik te geloven dat dingen ook allemaal weer goed zouden komen. Rustig praatten we wat, terwijl hij mijn lievelingskat aaide. Die éne, die ineens bruine pootjes had in plaats van witte.
De oorzaak werd duidelijk toen ik mijn bezoek -Ga jij nu maar schrijven, anders red je het echt niet- uitliet en door het gat, waar eerder nog een Wc-deur zat, de bruinbepote kat op de bril zag zitten. Zichtbaar genietend van al die beweging in het smerige water onder hem. Zijn pootje boven zijn kopje geheven, licht trillend, wachtend tot er wat spannends voorbij kwam en dan… Raak. Een onbestemd bruin object vloog tegen de muur, waar al meerdere successen vanaf dropen.
Een kwijlende postbode, onwillend internet, een onmogelijke deadline, klierende kinderen, een klotemonteur, een kapotte WCdeur, een stinkend huis en een goedmikkende kat.
En ineens drong het tot mij door. De humor. Ik begon te lachen. Was niet te stoppen. Elke keer als ik die smerige composthoop ontleedde, begon ik opnieuw. Verbaasd keken de kinderen om het hoekje, hun flauwe grapjes vergetend. Binnen de kortste keren schaterden we alle drie. Nog nalachend sloot ik het internet aan, vertelde de postbode heel laf dat ik met een grote sterke man getrouwd was, ontstopte in een laatste poging het inmiddels weer stralend schoongemaakte toilet en ging verder met schrijven, tot diep in de nacht. |
|
|
 |
 Labyrint
persoonlijk
|
06 September 2011 | 11:54:57
 |
(Tot volgend jaar september mag ik fungeren als vaste columnist (VC) op www.columnX.nl . Dit is mijn eerste inzending daarvoor)
Overal roze, roze en nog eens roze. Stampende oude discomuziek golft door de straten. Het éne liedje loopt oorverdovend vermengd over in de volgende jaren-tachtig-hit. Lampjes, toeters, bellen, mensen. Allerlei soorten mensen. Veel zijn er vrolijk dronken, sommigen volledig de weg kwijt.
Een oude dame loopt met haar hand op haar tasje en haar arm stevig om haar echtgenoot met grote ogen rond te kijken. Kinderen zijn blij, raken kwijt en worden weer gevonden. Door de lucht vliegende wagentjes met gillende meisjes zorgen voor ‘oh’s’ en ‘ah’s’.
Constante aanstekelijke euforie.
Bruin tapijt, hoogpolig. Donkerbruine chique deuren. Acht verdiepingen hoge leegte. Vergaderzalen, bezemhokken. De stilte na de muzikale stortvloed golft bonkend mijn oren in. Ik besef dat het mijn bloed is. Het heeft een kookpunt bereikt. Een vluchtige aanraking, een zoen, zoekend. Onrust. Als ons doel bereikt is, vertelt een vriendelijke jongen in bruin –mét trots embleem- ons waar de uitgang is. Een grauwgrijs trappenhuis laat ons de terugreis echter snel vergeten.
Koel, koud donkergrijs met nopjes. Kale, schrale muren. De wereld krimpt tot een paar vierkante meters. Knipperende lampjes beschijnen bezwete naakte lichamen, terwijl ‘Valery’ gedempt binnenkomt. Stomende huiden raken elkaar in een zinderende kennismaking. Handen en lippen lijken dwaalloos geleid te worden op zoek naar ontlading. Het ultieme, allesoverheersende oerinstinct. De muziek zwelt aan. Hitte. Gemêleerd zout zweet. Climax.
De achtergrondgeluiden sijpelen langzaam weer weg. Ik kijk naar de rechteronderarm, die over mijn borst ligt. Hij is mooi, stevig, zoals het lichaam en degene die er aan vast zit. De hand streelt me. Fijn. Mijn naborrelende bloed wordt weer warmer. Jij wordt warmer. Handen glijden, lippen proeven.
Constante aanstekelijke euforie.
Aan alles komt een eind. We moeten gaan. De fantasiebubbel wordt doorgeprikt. Vochtige lichaamsgeuren gaan op in het hoge trappenhuis waar we, een beetje stuntelend, haar en kleding recht trekken. Langzaam dalen we de trappen af. Honderdvier treden. Elke stap omlaag dreunt de muziek harder. De aanwijzingen van de aardige receptiejongen zijn mijn hoofd uitgerend. Er zijn leukere herinneringen om op te slaan.
De parkeergarage.
Buiten is het inmiddels donker geworden. Een paar verdwaalde roze mensen lopen wankelend over de straat, sommigen bewegend op de snoeiharde muziek, sommigen niet. In onze afwezigheid zijn de straatstenen bedekt met een plastic-beker-tapijt.
Eén grote chaos.
In mijn hoofd. |
|
|
 |
 Ontwikkeling
diversen
|
06 Augustus 2011 | 21:40:02
 |
(Dit stuk heb ik al maanden geleden geschreven en is opgedragen aan mijn goede vriendin Pally, die het boek Kleinbeeld schreef)
De thermometer op mijn balkon wijst tweeëntwintig graden aan. Voor het eerst dit jaar. Natuurlijk willen de kinderen gaan zwemmen. Ik weet dat het niet handig is, maar het beeld van kinderen die één teen in het water steken en hard roepen dat ze naar huis willen, voedt een vervelend sadistisch trekje van me. ‘We gaan gewoon en dan zien we wel’ besluit ik. Bram, Marie en de buurjongen zitten zó snel op de fiets dat mijn gemene glimlach ze ontgaat.
Een kwartier later lopen we het lege strandje van de Oosterplas op. Uitgebreid installeer ik me op een groot badlaken, terwijl de kinderen naar het water rennen. ‘Mam, het water is heerlijk’, roept Marie met blauwe lippen. Niks tenenvoelen, niks polsen natmaken. Mijn bulldozermeisje is zonder nadenken gewoon de plomp in gesprongen. De heren volgen, ook zonder test, binnen een seconde. ‘Het is écht niet koud, hoor’, hoor ik één van hen bibberen.
Teleurgesteld –waarom gunnen die rotkinderen mij mijn lolletje niet?- kijk ik om mij heen en zie ze vliegen. Honderden? Duizenden! De enorme zwerm dondervliegjes die om mijn hoofd cirkelt wordt, telkens wanneer ik opkijk, ineens smaller. Alsof ze van me schrikken en zich snel achter elkaar willen verstoppen. Best laf. Mijn zwarte kant steekt een sigaret op en blaast een wig in het minileger. ‘Dat vinden jullie niet leuk, hè?’ mompel ik, minstens net zo laf. Al rookblazend probeer ik figuurtjes van de zwerm te maken. Het lukt niet. Boek.
Al snel zit ik, via ‘Kleinbeeld’, vijftig kilometer verderop in een boomgaard, waar de grillig gevormde pruimenboom stoer haar bloemen toont. De overige fruitbomen houden zich nog in, maar de roze knoppen beloven dat zij binnen de kortste keren ook stevig uit de band gaan springen. Een kikker loopt over mijn voet als ik naar het dijkhuis loop, waar de bewoners met open armen staan te wachten, omringd door de geur van koffie, lekkere koffie.
Vaag hoor ik de kinderen. ‘Ik doe even mijn T-shirt aan, dan is het tenminste wat warmer in het water.’ ‘Tuurlijk’, zegt dat rotstemmetje in mijn hoofd, ‘Met een nat T-shirt naar huis, dan heb je zeker een longontsteking te pakken.’
Terug. Niet te ver, net genoeg om van de vliegjes af te zijn, die steeds brutaler worden en met horden tegelijk op mij landen. Na een aantal moorden besluit ik dat ze toch mogen blijven, als ze maar op hun tenen lopen. Op kriebelen staat de doodstraf. Het verstoort mijn innerlijke uitzicht.
Zwarte letters toveren de koffiegeur, vermengd met die van pruimenbloesem weer terug. Woorden laten mij opnieuw de sfeer proeven van Betuwse gastvrijheid en de gedachte aan mijn vrienden verzacht mijn humeur. Ik voel het gras bewegen tussen mijn tenen, zie die stralende lucht. Het gras beweegt naar mijn enkels.
Was het echt zo lang? Ik leg het boek weg voor rustiger tijden en zie dat ook een mier mijn blote pretparkbenen gevonden heeft. Na een klein tikje van mijn vinger valt hij op het zand. Ik doe er nog een schepje bovenop, maar hoe sneller ik hem bedek, hoe sneller hij weer boven de grond staat. ‘Kom maar op, grote trut, ik lust je rauw’ is zijn houding. Net als zijn menselijke karaktergenoten mag ik hem wel.
Stemmen achter mij. Nieuwsgierig kijk ik om. Een aantal mensen in mooie kleurrijke gewaden wandelt naar de waterkant. Handig rollen zij hun ingewikkelde wikkels van zich af. Een voyeurgevoel overvalt me als de haren van de dames op hun schouders vallen en er ‘skinny jeans’ en T-shirtjes verschijnen. Ook de heren ontdoen zich van hun bovenste laag kleding, inclusief de wollen mutsen. Met kleren aan lopen zij de Oosterplas in. ‘Lekker, hè?’ roepen zij de plonzende kinderen, met zwaar accent, toe. ‘Beetje koud maar.’ Na een half uur spetteren en spatteren loopt de hele groep het water weer uit.
‘Gaan wij ook?’ Extra langzaam pak ik onze spullen in. Vanuit mijn ooghoeken volg ik de inwikkelende dames en zie al het vrouwelijk schoon weer ingepakt worden als was het een prachtig verjaardagscadeau. ‘Morgen weer?’, roept één van de vrouwen als ze langs ons loopt.
‘Néé, mevrouw, wij zijn er morgen niet’, roept Bram. “Het water is écht veel te koud!’
|
|
|
|
|
|