Arta's
Woordenworsteling
Welkom!

Veel plezier met het lezen van mijn verhalen. Reacties en/of op[merkingen zijn van harte welkom. Kopiëren van tekst mag, na overleg met mij. Je kunt dan mailen naar: arta68@live.nl.

Abonneren
Abonneer je nu voor nieuwe artikelen op deze website!
Laatste reacties
Foto's!
Overige
Overige afbeeldingen

Laatste artikelen

Als ik aan mijn lagere schooltijd denk, gaat dat vreemd genoeg altijd gepaard met het element water. Niet zozeer omdat het in mijn beleving altijd regende als ik naar school liep. Ook niet door de zwemles, die maar één schooljaar een uurtje per week was, maar aanvoelde als een jarenlange teistering van pesterige jongetjes en zweterige badhokjes.

Ikzelf voelde als water. Stroomde, tot op zekere hoogte, mee op de maat van de klas, maar sijpelde ook af en toe een andere kant op, om uiteindelijk weer probleemloos in de grote stroom opgenomen te worden. Vaak met een zwakkere medeleerling aan de hand. Mijn zijstroompjes werden als vanzelfsprekend genomen en mijn interesse in de gehele klas ook.

Mijn lagere schooltijd was fijn.

En toch… Gieren de zenuwen door mijn keel, wanneer ik de school – ooit de modernste van Europa- uit mijn jeugd binnenstap. Vrijwel geen enkele klasgenoot heb ik na mijn twaalfde nog gezien.

Een knappe dame komt mij tegemoet, pakt mijn hand en leidt me naar ‘De Kuil’. Het theaterlokaal van de school, bestaand uit een enorme zitkuil, waar vele klassen in passen. Ze stelt zich niet voor, maar begint me te koppelen aan bekende namen met, in meer of mindere mate, onbekende gezichten.

Ze zijn zó veranderd, ik ben ze kwijt, stuk voor stuk.

Na een half uur eenzaamheid pak ik mijn jas om weer te gaan. De dame, die mij binnenliet, rent naar me toe. ‘Ga je al?’ Ik ruik plots een bekende lijfgeur. ‘Ik hoor hier niet meer tussen.’ ‘Voel je je te goed dan?’ Weer een vlaag. ‘Nee, dat is het niet. Het is de leegte hier.’ ‘Je hebt niet eens gevraagd wie ik ben.’

Het kwartje valt.

Zo ziet het meest gepeste meisje er nu dus uit. Geweldig.

‘Kom Corry, we gaan een terrasje zoeken!’

Reacties

Dauw dringt door de dunne stof van mijn jurk. Het belooft de laatste koelte van deze dag te worden, dus probeer ik ervan te genieten. Mijn blote tenen wiebelen nog onwennig in de vroege ochtendbries. Ze krijgen te weinig vrijheid, daar moet ik echt wat aan gaan doen. Over mijn tenen heen, schijnt de pas opgekomen zon in het meer en tovert oranje, blauwe en witte strepen in het water. De lucht is blauw. Strakblauw. Mijn lievelingskleur.

Ondanks dat het mijn lievelingskleur is, heb ik nooit blauwe kleding gedragen. Zelfs een spijkerbroek omhulde nooit mijn weelderige achterwerk. Rood, oranje, geel, groen, dat waren mijn kleuren. Tot drie maanden geleden. Ineens zag ik een gat in mijn overvolle kledingkast, dat schreeuwde om opvulling. Blauwe jurken, rokjes, truitjes en zelfs een onvervalste jeans vulden het op. En waarom?

Een miertje kriebelt over mijn hak, Snel houd ik mijn tenen stil, zodat hij niet schrikt. Thuis is het diertje niet welkom, maar in zijn territorium pas ik me aan.

Waar zou mijn blauw-obsessie ineens vandaan komen? Loom laat ik mijn gedachten teruggaan naar een maand of drie geleden. Eigenlijk was het best een rustige tijd. Een hele rustige tijd. Bizar rustig voor mij en eigenlijk doe ik nog steeds niet veel. Het lijkt alsof ik nog niet wakker ben geworden uit een hele diepe winterslaap en de hele wereld bezie vanuit een melkglazen telefooncel.

Een redelijk grote spin laat zich zakken vanaf een tak boven mij. Ondanks dat ik op zijn terrein zit, schuif ik even op, zodat hij ver naast me landt.

Inmiddels lui achteroverliggend, starend naar de prachtige hemel, besef ik niet blij te zijn. Niet alleen vandaag, maar al een tijdje, zo’n… tja, zo’n maand of drie. Midden in het staartje van een uiterst stressvolle periode, terwijl ik eigenlijk intens gelukkig zou moeten zijn met het eind in zicht, lijken de zorgen van de afgelopen jaren zich opgerold te hebben tot een enorme sneeuwbal, die mij ineens keihard raakt. Hoe stom is dat?

Flarden bewolking verstoren mijn rustige uitzicht. Zelfs de lucht ziet eruit alsof ik door melkglas kijk.

Mijn bedauwde rug voelt ineens zeiknat aan. Gadverdamme. Wat kwam ik hier eigenlijk doen? Oja, ik zou mijn boek uitlezen. Geïrriteerd pak ik het en probeer weg te zinken in het plot van een psychologische thriller. Lezen. Heerlijk.

Onbestemde beesten blijven me lastig vallen.

Met nog twintig bladzijden te gaan sta ik abrupt op en stop mijn boek in mijn blauwe tas, trek mijn blauwe schoenen aan en strijk mijn spijkerblauwe jurk aan de natte achterkant recht. Ik heb genoeg van mijn quasi-genieten. Er is werk aan de winkel. Tijd voor actie.

Thuisgekomen gooi ik al mijn blauw in de wasmand en trek een knalrode jurk en teenbevrijdende slippertjes aan. Met een lekkere bak koffie nestel ik mij achter de computer en tik ‘betekenis blauw’ in op de zoekmachine.
Tot mijn verbazing staat er, onder andere, dat blauw voor de maand januari staat en ook voor winterslaap.

Het is inmiddels bijna augustus.
Tijd om wakker te worden.
Er is voldoende gezaaid.
Laat die oogstmaand maar komen.



Reacties

“Wanneer spreken we af?”
“Woensdag?”
“Wat zullen we dan gaan doen?”
“Misschien kunnen we eens lekker niksen?”
“Niksen? Wat bedoel je?”

Nog steeds verbaast het mij dat het meest belangrijke werkwoord in onze taal nog zo onbegrepen is. Wanneer je diepe dalen gekend hebt, kan men toppen pas waarderen. Dat cliché begrijpt elke sukkel, zonder uitleg. Als ik echter roep dat tegenover een wereld vol hebben, rennen, oppervlakkigheid en hoogvliegen ‘niksen’ een ultieme tegenhanger kan zijn, word ik aangekeken alsof ik een vingerplant voor seksuele doeleinden gebruik.

“Niets doen. Beetje hangen, beetje zitten.”
“Maar dat is toch niet leuk?”
“Vind jij jezelf zulk belabberd gezelschap dat je het zonder vermaak niet uithoudt met jezelf?”
“Je hóórt gewoon iets te doen als je samen iets afspreekt. Al ga je maar een zandkasteel bouwen aan het Engelermeer.”
“Activiteiten doe je maar met je tante. Ik wil niksen.”
Volgens een artikel*) dat ik laatst las, leven we momenteel in een zogenaamde Wow-cultuur. Brrr… Alleen die naam geeft mij al spontaan allergische reacties. Carrière maken, zoveel mogelijk geld verdienen, daarvan zo groot mogelijke auto’s, huizen en zo verfijnd mogelijke apparatuur, interieur en meer van dat soort onzin kopen. Vervolgens mag je modelkinderen baren, die worden klaargestoomd om nóg meer carrière te maken, nog meer geld te verdienen… Tussen zestiguurs werkweken wordt zo ver mogelijk gereisd om onze omgeving te verblijden met ‘Wow-foto’s’ op Social Media. Mag ik even kotsen?

“Okee, dan gaan we niksen. Zorg jij dat je alles bij je hebt om dat te kunnen doen.”
“Prima. Ik kom met lege zakken.”

Om burnouts te voorkomen, en torenhoge kosten te besparen voor een dure cursus mindfulness of back to basic-therapie, heb ik me laten paaien door ‘Het grote vervelen’. Bewust een kop koffie proeven, die ik speciaal voor mijzelf gemaakt heb. Bij een fluitconcert van vogeltjes, vanuit een nabijgelegen tuin, proberen te onderscheiden hoeveel diertjes het zijn. Oude foto’s bekijken, die al dertig jaar ongezien in een oude schoenendoos liggen en vervolgens een column schrijven, met pen en papier, over hoe te genieten van een imperfect leven. En daar alle tijd voor te nemen.

Mijn nieuwe levensmotto ‘Als uw dagelijks leven u armoedig voorkomt, klaag dan niet over dat dagelijks leven, maar klaag over uzelf omdat u niet in staat bent er rijkdom in op te roepen’ heb ik gestolen van een Spaanse filosoof, die tijdens het begin van onze jaartelling leefde.

Zou deze Seneca junior geweten hebben dat hij in het jaar nul leefde? En dat mensen hem 2014 jaar later nog citeren? Daar ga ik eens over nadenken als ik woensdagavond aan het niksen ben.

 

*) Artikel nav het boek ‘Borderline times, het einde van ** normaliteit’, geschreven door Dirk ** Wachter.




Reacties

Er staat geen zuchtje wind. Het water voor mij is glad als een spiegel, af en toe verstoord door een, in het water glijdende, dauwdruppel vanaf het blad van een stoere eik, die al op deze plaats stond, voor het meer werd aangelegd. Ik hoor de plons niet, maar zie een piepkleine cirkel, als vanzelf, ontstaan en agressief groter groeien om uiteindelijk weer uit te monden in een groot stil oppervlak.

Net als in het leven, bedenk ik. Op het moment dat ik denk totale rust te hebben in mijn bestaan, glijdt er weer een druppeltje chaos doorheen, dat, voor ik het in gaten heb , uitmondt in een cirkel van gebeurtenissen. De geruststelling dat het oppervlak uiteindelijk altijd weer glad wordt, op wat voor manier dan ook, geeft vertrouwen. ‘Alles komt goed’ is geen dooddoener, slechts een kwestie van perceptie.

De kou is vanuit de aarde omhooggetrokken vanuit mijn tenen naar mijn kruin. Elk ledemaat geeft op zijn eigen moment door aan mijn hersenen dat ze het koud hebben, tot de kilte mij geheel heeft overmand. Mijn lichaam voelt vredig verdoofd. Eén van de eerste madeliefjes van deze lente kriebelt tussen mijn tenen door. Raar.

De fijne lijn tussen positief en negatief heeft mij altijd geboeid. Een persoon die zich bezeert en begint te lachen om de vreemde situatie waarin dat gebeurd is. Terwijl alle omstanders nog staan te lachen, heeft er bij de bezeerde een keerpunt plaatsgevonden en staat diegene hard te huilen. Dát keerpunt boeit me. Hoe een goed mens ineens een slechte beslissing kan nemen of juist andersom. Hoe kilte verdrongen wordt door kriebel. Er bestaat geen goed of kwaad,kilte of kriebel, slechts perceptie.

Voorzichtig bewegend maak ik mijn lichaam los uit de klem van de kilte. De zon, die ook vandaag weer de kracht gevonden heeft zich boven de boomtoppen uit te tillen, helpt een handje mee. De voorzichtige warmte zorgt er ook voor dat een diepe aardegeur mijn neus beroert. Ik snuif. Buiten de geur van pas gemaaid gras is dit mijn tweede favoriet. Hij brengt me terug naar mijn jeugd en naar het plezier in grond te wroeten.

Conimex gedroogde nasigroenten. Ooit gebruikte mijn moeder een zakje om mijn verjaardagsmaal te bereiden. Het was de eerste keer dat zij ze kocht. We aten doorgaans ‘Hollandse pot’. Ik kwam uit school, deed de achterdeur open en werd bedwelmd door de heerlijkste etensgeur, die ik ooit geroken had. Tot de dag van vandaag voel ik me feestelijk en blij als ik het ruik. Mijn zus vindt het stinken. Diezelfde verjaardag stoorde ze zich aan mijn euforie en daardoor haar misgelopen aandacht. Zelfs nasi is een kwestie van perceptie.

Het park wordt wakker. Onrustig staan de dieren achter mij te wachten tot kleine kindervingertjes stukken brood door het hek proppen. Piepende geluiden verraden een buggy. Omkijkend zie ik dat de moeder een lege wagen duwt. Twee kleine meisjes rennen voor haar uit naar de kinderboerderij. De eerste steekt haar hand door het hek om te aaien. Het hert heeft honger en bijt. Het meisje trekt zich terug, wil niets meer met de dieren te maken hebben, terwijl haar tweelingzus er dolle pret mee heeft.

Mijn tweede vriendje, zijn vriend Dirk en ik doen een spelletje Scrabble, wanneer er buiten ineens een hele harde knal klinkt. Mijn vriendje en ik schreeuwen tegelijkertijd. Hij: ‘Ruzie’. Ik: ‘Feest’. Dirk haalt zijn schouders op. Jaren later, wanneer familieleden ruzie aan het maken zijn over het al dan niet waar zijn van een herinnering, moet ik weer aan ons Scrabble-avondje denken en besef dat zelfs waarheid een kwestie van perceptie is.

Het wordt langzaamaan drukker om mij heen. De welvaart in ons land zorgt voor goedgevulde kinderboerderijdierenbuiken. Ik sta op, spreid mijn armen naar de lucht in een poging de schoonheid om mij heen vast te grijpen, snuif die heerlijke geur van de lente op, pak mijn schoenen en slenter naar huis.

Reacties

“Wie is dat nou?” Nonchalant rondkijkend loopt een jongen, of eigenlijk al een man, van een jaar of twintig door het restaurant. Petje achterstevoren op zijn hoofd, olijke kop, gezet postuur. Als ik er een etiketje op zou moeten plakken, zou er met hoofdletters ‘doorsnee’ op komen te staan. Toch trekt hij mijn aandacht. Het duurt even voor de jongen zijn afspraak, een leuke dame met koperkleurige dansende krullen, heeft gevonden. Ze kopen beiden een kleine cola en gaan, recht onder mij, aan een tafeltje in de hoek zitten. Tot mijn verbazing stellen zij zich aan elkaar voor.

Dát en het feit dat er onrust is ontstaan achter de kassa’s, zorgt er voor dat nieuwsgierigheid vanuit mijn poten langzaam door mijn pantser dringt. Ik loop naar het randje van de vettige lamp, waarop ik graag zit en kijk er overheen, om nog net te zien dat de dame een laptop openklapt. “Ik heb zevenenzestig minuten tijd”, begint de jongen het gesprek. “Daar heb ik voldoende aan”, is het antwoord.

Achter de kassa’s wordt inmiddels ruzie gemaakt over wie het meest gehate werk mag doen: Het bijhouden van de lobby. Ineens houdt iedereen van tafeltjes poetsen, vuilniszakken verwisselen en vloeren dweilen. De grootste mond wint. Als altijd.

Als antwoord op het vragenvuur van de dame, hoor ik het levensverhaal van de jongen aan. Gelukkige jeugd, fijne ouders, altijd al wat recalcitrant, maar vooral al op heel jonge leeftijd dol op filmen.

Nu gaat er een belletje rinkelen. Het gezicht van de jongen versmelt steeds meer met een vage herinnering van een paar weken geleden. Destijds keek ik mee over de schouder van een rustige jongen, die ongemakkelijk gevangen leek in een baldadige groep leeftijdsgenoten. Hij zocht zijn toevlucht in de telefoon en daarop… Juist. Verscheen het hoofd van de persoon, die nu onder mij ondervraagd wordt.

Snel vlieg ik naar de keuken. Alle jongens staan filmpjes te kijken op hun ‘mobiele’. Opgewonden vragen ze zich af ‘of hij het echt is’ of er ‘gewoon vreselijk op lijkt’. “Hij wordt geïnterviewd, man, tuurlijk is hij BanjoMovie, de echte.”

BanjoMovie lijkt zich totaal onbewust van de consternatie die hij veroorzaakt. Spontaan geeft hij op elke vraag antwoord en zegt regelmatig dat iets ‘off the record’ is. Hij blijkt een bekende You Tuber te zijn, die met reclame in zijn filmpjes geld verdiend. Duizenden volgers heeft hij, waarvan er, na een half uur, een aantal van om hem heen staan. Aarzelend, schuifelend, onzeker.

Zevenenvijftig minuten duurt het ondervraagfeest. Tien minuten geeft de interviewster cadeau aan de fans, allemaal jongens van rond de vijftien. Mijn ogen doen pijn van de vele flitsen, maar ik ben te nieuwsgierig om het niet te volgen. Een bekende Nederlander in mijn toko!

Als de zevenenzestig minuten voorbij zijn keert de rust snel weer. Gelukkig maar, ik heb al meer dan een uur mijn vleugels niet gepoetst.

Reacties

Privé vind ik mijzelf eigenlijk best oké. Een beetje oppervlakkig soms, maar mijn dieptes zijn slechts voor een beperkt publiek behapbaar, dus dat maakt niet zoveel uit. Over het algemeen kan ik heel goed met mijzelf door één deur, zelfs na een uitgebreid Kerstdiner en drie dagen oliebollen. Wel raar eigenlijk, dat ik ook mijn eigen grootste irritatiefactor ben.

Uitstel is mijn vriendje. Ik heb een haat-liefde verhouding met hem. Helaas blijft de liefde overwinnen, hoezeer ik ook mijn best doe om de relatie te verbreken. Zijn zachte armen vol berusting zijn zo heerlijk om in achterover te leunen en als hij dan ook nog met zoete stem ‘Dat kun je toch ook morgen doen?’ fluistert, tja, dan ben ik om. Mijn ouders hadden mij Mañana moeten noemen. Dat had een hoop uitleg gescheeld.

Flexplekken zijn vreselijk. Op mijn werk hebben wij ze. Wie het eerst komt heeft de fijnste plaats en buur die dag. Aangezien Uitstel mijn vriendje is, kom ik als laatste binnengerend en is de keuze beperkt. Het is over het algemeen best gezellig, hoor. Onze afdeling voelt als een warm bad, waarvan ik slechts enkele bubbels door zou willen prikken, maar mezelf zou ik niet als collega willen hebben, puur omdat ik mezelf in een schemerige privilegepositie gemanoeuvreerd heb waarin ik alles kan zeggen tegen iedereen. Heel hard lachend scandeer ik de vreselijkste, welgemeende, uitspraken en iedereen lacht mee. ‘Ach, het is Arta maar’ hoor ik ze denken. Wanneer ik mijn eigen collega zou zijn, zou ik niet meelachen, slechts mijn hoofd schudden, misschien af en toe een ‘Waarom zeg je dat?’ laten vallen, maar ik zou me boven alles mateloos irriteren.

Winkelend met mijn kinderen haat ik mijzelf nog het meest. Ik probeer het zo weinig mogelijk te doen, maar ontkom er soms niet aan. Eerst biedt mijn vriendje Uitstel natuurlijk wat leuke alternatieven. Vaak win ik daar een dag of twee mee. Uiteindelijk ben ik toch de pineut. Vol goede voornemens lopen we vrolijk richting de stad. Twee winkels houd ik het vol en dan komt de wolf onder mijn schaapskleren uit en vult mijn hoofd met woede, volledig onterechte woede, die klakkeloos, via mijn mond, weer een uitweg vindt. Gelukkig staat er vaak een heel roedel mederoofdieren buiten de winkels, waar ik mij zwijgend bij aansluit. De enige noodzaak voor meewinkelen is mijn pinpas, dus beperk ik me tot het afrekenmoment.

In grote gezelschappen vind ik mijzelf ook wat minder. Uitstel laat ik op die momenten altijd thuis, want ik wil ervaren, voelen, beleven, eruit halen wat erin zit. ‘Als jij in een zaal vol mensen binnenkomt, weet iedereen dat jij er bent, voordat je een woord gesproken hebt’ zei een vriendin eens tegen mij. Ze bedoelde het als compliment, maar zo nam ik het niet op. Eigenlijk, diep van binnen wil ik helemaal niet opvallen en ruimtes vullen. Ik wil gewoon mezelf zijn. En dat lukt toch het beste in mijn eentje. Op de bank.

Reacties

Reclamemensen hebben niets aan mij. Er zit een nee/nee-sticker op mijn deur en ik ben totaal gevoelloos voor materie. Auto’s, sieraden, schoonmaakmiddelen, meubels, verzekeringen: Het interesseert me geen fluit. Eén uitzondering daargelaten. De Ikea-gids.

Elk jaar valt hij geadresseerd op de deurmat. Behoedzaam pak ik hem op, om hem naar een veilige plaats te begeleiden. Een plaats waar kotsende katten en ‘stukjes-papier-nodig-hebbende kinderen’ niet bij kunnen. Daar blijft hij tot het weekend. Nadat ik de hele zaterdag vloekend heb lopen zoeken naar het onding, omdat de veilige plaats ook te veilig blijkt voor mijn chaotisch brein, is daar de zondag.

Verwarming, een pot thee, koekjes en Het Boek. Zorgvuldig sla ik de eerste bladzijde om, de tweede, de derde, de veertigste. Geen eureka, geen halleluja-gevoel, niets. Voorzichtig ruik ik eens aan het boek, maar ook de geur van vers glanspapier doet geen belletjes rinkelen. Aarzelend blader ik verder. Honderdvijftig. Wat is er gebeurd? Ik vind dit toch leuk? Driehonderd.

Lusteloos begin ik aan de laatste pagina’s. Bij de gordijnstoffen begint een piepklein kriebeltje zich omhoog te wurmen. Ik sla de laatste stofpagina om. Het Restaurant. Een grote golf geluksgevoel laat mij de driehonderd eerste pagina’s vergeten. De koffie blijft ook komend jaar gratis met de klantenpas. Eureka. Er zijn nog volop Zweedse ballen en ook het euro-ontbijt is weer van de partij. Halleluja.

Reclamemensen hebben best iets aan mij. Niet voor spullen, verzekeringen en dat soort zooi. Alleen voor eetreclames. Volgens mij zit ik in de ontkenningfase van een zeer diepgewortelde verslaving. Want wie maakt plaats vrij voor een Billy als excuus voor Ikeaballen? Wie rijdt alleen via Route 99 naar Albert Heijn? Ik. En ik schaam mij daar diep voor.

Elk nieuw product wil ik uitproberen, consumeren, becommentariëren. Vaak vind ik er geen bal aan, maar ‘uitsluiten is een vorm van antireclame’ en daar schaam ik mij dan niet voor. ‘Nooit proberen’, ‘niet te vreten’ roep ik voldaan tijdens elke reclamespot van mislukte producten die voorbij komt. Het scheelt de mensen om mij heen een berg geld en slechte maaltijden.

“Arta, heb jij de braadstoommix voor Belgische biggenbipsen al uitgeprobeerd?” “De kwarteleisiroop?” “Blauwgerande kikkererwtensalade?” “Gefrituurde koehielpezen met Jojobasaus?” “Ja, ja, ja en ja. En nee, nee, nee en nee, niet doen.”

Ooit zet ik mijn TV bij het oud vuil en ga naar een afkickkliniek. Eén gelukje: Mijn verslaving is niet erfelijk.

“Mám, mag ik tachtig cent?” “Waarvoor?” “Brisk met appelsmaak. Dat is iets nieuws”

Zuchtend pak ik mijn portemonnee. Misschien valt deze appel toch niet zover van de boom.

Reacties

Mijn baas houdt van groen. Maatschappelijk verantwoord ondernemen, duurzaam, ISO-keurmerk, het zijn allemaal woorden, die ik elke dag in mijn mail tegenkom. Eigenlijk ben ik daar best trots op. Ik houd ook van groen. Echter, aan de keuze van mijn directeuren om te verhuizen naar een moderner, nieuw pand, afgelopen maart, ergerde ik mij groen én geel. Jaja, voor mij persoonlijk scheelt het de helft, qua afstand, en het is vlakbij het station, dus de bus zou ook een optie kunnen worden.

Bullshit!

Mijn dagelijkse route langs het park, met zijn mysterieuze mist in de ochtend, hupsende konijnenkontjes en spectaculaire zonsopgangen, zouden verleden tijd worden. Het laatste deel van mijn dagelijkse cadeautje, door een natuurgebied met oerkoeien, eekhoorntjes op de weg en prachtige waterwielen, zou ik in moeten leveren.

Mijn nieuwe dagelijkse fietstocht gaat dwars door het centrum van mijn stad.

De eerste weken in het nieuwe, overigens prachtige, pand duurt het uren voor mijn mondhoeken weer een beetje omhoog wijzen. Treurig denk ik terug aan de destijds ondergewaardeerde kilometers. Negen lelijke minuten fietsen in plaats van vijfentwintig juweeltjes. Van de dertienhonderd werknemers in het gebouw lijk ik de enige die er problemen mee heeft, dus sip ik in mijn eentje voor allemaal. Tot…

Op een ochtend in mei rijd ik om acht uur ’s ochtend weer lusteloos over de markt. Prikkende ogen leiden me af. Nonchalant kijk ik om me heen, maar het enige dat opvalt zijn chagrijnige forenzen die totaal in de negeerstand staan. En dan, dan zie ik het. Een stenen snoetje dat mij aanstaart. Boven de schoenenwinkel. Twee ramen als ogen en een vlaggenmast als wipneus doen hem er ondeugend uitzien. Ineens valt mij de blauwe lucht boven het gebouw op. De geur van de lente. Het zachte briesje dat mijn haar laat wapperen. Wanneer de zon doorbreekt en zorgt voor een onvervalste knipoog van het rechteroog ben ik verliefd. Fluitend fiets ik door naar mijn werk.

De weken erna kijk ik elke ochtend uit naar Thomas, zo heb ik mijn stenen vriend genoemd. Zijn humeur hangt overduidelijk af van het weer, maar soms verrast hij me. Door zijn lange neus heb ik besloten om zelf ook maar eens verder te kijken dan mijn neus lang is. Naar de stiekeme steegjes met vreemde namen die nergens of ergens naartoe leiden, het huis met de Joris en de draak-gevelsteen –Zou Joris hier gewoond hebben en heeft de draak hier gestampvoet?- , trap-tuit- en bonbongevels, die niet onderdoen voor die langs de Amsterdams grachten. Bijna spijtig bereik ik ’s ochtends mijn werk.

Wanneer ik aan mensen bevlogen vertel over mijn bijzondere minuten lachen ze mij vierkant uit. Soms geven ze wat extra toeristische informatie over straatjes die naar oude weeshuizen leiden en naar woningen waar Koning Willem I nog gelogeerd heeft. Elk verhaal wordt opgezogen en naadloos verweven in mijn fantasieën.

Uitzoeken of ze waar zijn? Natuurlijk niet. Stel je voor dat het tegenvalt.

Vandaag is het zondag. Morgenvroeg ga ik weer bij Thomas langs. De Thomas die mij elke ochtend door een straat vol paard-en wagens, mensen in klederdracht, wezen in lompen, koningen, draken en gevaren leidt. Hopelijk overleef ik het weer.

Reacties

“Al járen bevaar ik zeeën en oceanen met mijn jacht. Geef er grote party‘s, waar iedereen, die wat is of wil worden, bij wil zijn. En als ik klaar ben met de zee, prik ik op de wereldkaart boven mijn bureau en vertrek dezelfde dag nog naar mijn dichtstbijzijnde huis. Iedereen wil bij me zijn. Jij niet?”

Van schrik proestte ik de bubbels, daarnet heette het drankje in mijn gedachten nog cider, uit over de te bruine benen van de mijnheer die ik zojuist ontmoet heb. In plaats van lekkere voorgebraden kippenpoten bij poelier Jansen op de markt, trof ik hém tijdens mijn zoektocht naar de ontbrekende kraam. Spontaan bood hij mij een glas goudkleurige koolzuur aan en stelde zich voor als Pierre. Ik accepteerde lacherig, nam plaats tegenover hem en begon in mijn hoofd vast te bedenken wat mij dit keer aangesmeerd zou worden.

“W-w-wat?”
“Iedereen houdt van me, omdat ik zo’n enerverend leven leidt.”
“Oja? En wanneer was dan de laatste keer dat u iets voor het eerst deed?” Met een quasi-omfloerste blik keek ik hem uitdagend aan.

Twee weken geleden werd deze vraag ergens aan iemand gesteld. Ik weet niet eens meer waar en door wie, maar hij botste tegen mijn trommelvlies en hangt daar sindsdien wat te etteren. Elke, door mij ondernomen, actie werd sindsdien getoetst. Ik kwam er achter dat mijn leven redelijk saai is en dat de turbulentie -altijd aanwezig- voornamelijk bestaat uit dingen die mij overkomen, wat gelijk weer een nieuwe vraag opriep:

‘Wanneer was de laatste keer dat ik mijzelf iets liet overkomen?’ De tweede vraag begon ruim een week geleden op de meest irritante momenten in mijn netvlies te schijnen. En iedere keer als er werd geëtterd of geschenen boorde het plan zich dieper in mijn brein:  Iemand moet worden getestteisterd. Niet met voorbedachte rade, zeker niet om te plagen, maar gewoon vloeiend, wellicht zelfs onnadenkend. Alleen maar om te kijken of deze, zo simpel lijkende, vragen anderen ook zwaar op het gemoed vallen. Of ik niet gek aan het worden ben.

En daar was Pierre. Zittend aan een klein, rond tafeltje, vervaardigd uit hip steigerhout met een champagneglas in zijn opgeheven, zonverrimpelde hand. Gewoon op een terras op de markt. De opwaaiende foldertjes op het tafeltje misleidden me, maar ineens, ineens drong het tot me door. Jubelstemming. Dit is mijn slachtoffer.

Mijn met zwoele stem uitgesproken vraag zweefde even over de tafel en werd ontvangen met een glimlach, die binnen enkele seconden bevroor, evenals de rest van zijn lichaam. Even leek de klok op ons gemeentehuis gestopt te zijn met tikken en op het moment dat hij stotterend probeerde een enigzins intelligent antwoord te geven besefte ik, dat ook voor deze man zijn leven nooit meer hetzelfde zou zijn. Dat hij misschien zelfs gekke dingen zou kunnen gaan doen, alleen maar om zichzelf antwoord te kunnen blijven geven.

De triomfantelijkheid waarmee ik de vraag gesteld had, droop langzaam van mijn lichaam af en maakte plaats voor een allesoverheersend schuldgevoel doordrenkt met ‘het lot’. Wat heb ik gedaan?’

Weken later vond ik Pierre terug op een bekende social media-site. Zijn witte broodjes-billen zagen er ranzig uit op de profielfoto. Waarschijnlijk was dat de allerlaatste keer dat hij iets voor het eerst deed: Virtueel moonen.
Strakke actie, beetje lauw, maar al doende…



Reacties (1)

“Mam, mag ik vanavond bij Megan slapen?”
“Tuurlijk, wat willen jullie gaan doen?”
Oh, gewoon, we gaan naar een feestje bij haar in de buurt.”
Prima. Ik bel gelijk Megan’s ouders even.”
Zó stom dat jij altijd gelijk gaat bellen, alsof je mij niet gelooft.”
Daar gaat het niet om”, mompel ik, terwijl mijn gedachten terug in de tijd rollen.

Met enorme kracht zwiept de regen in mijn gezicht. Op de dijk hebben de elementen vrij spel om mijn kapsel -coupe d’ontplof- en make-up compleet te vernietigen. Met het grootste gemak toveren ze de zeven kilometer, die ik moet fietsen, om naar zevenhonderd. Moet ik dit wel doen? Moet ik niet gewoon omdraaien?

De Waal, aan mijn rechterhand, lijkt last te hebben van grootheidswaanzin. Hij produceert golven die de Noordzee jaloers zouden maken en laat de uiterwaarden volstromen. Zo te zien varen er geen boten. Ook ben ik nog geen tegenligger tegengekomen. Jaloers kijk ik naar de dijkhuisjes. Vrolijke lichtjes en rokende schoorstenen. Mijn voeten draaien door. Nog even.

“Jolien, Je bent er! Ik was zo bang dat je er met dit pokkenweer niet zou zijn. Dan had ik echt een probleem gehad.”
“Natuurlijk ben ik er. We hadden toch afgesproken? Deden jouw ouders moeilijk? De mijne helemaal niet. Oh, ik heb zo’n zin in vanavond.”

In het toilet van de plaatselijke cafetaria maken we onszelf weer enigszins toonbaar. Daar komen we er ook achter dat onze tassen geheel doorweekt zijn. Maakt niet uit. De oogschaduw en haarlak doen het nog prima en meer heb je niet nodig voor een avondje beestachtig stappen in het Dorpshuis. Eindelijk kunnen we een keer blijven tot de lampen weer aangaan. Giechelend vertellen we elkaar keer op keer hoe slim we zijn. En stoer. Heel stoer.

Met ieder vijf gulden op zak lopen we even later de disco in. Het is rustig. Een paar jongens achter in de hoek kijken ongeïnteresseerd op, scannen ons –veel te jong- en gilpraten weer verder. De dansvloer. Adam and the Ants! We gaan los. Culture Club! Dansen. En nog een keer en nog een keer en nog een keer. Om tien uur, na drie uur dansen in een vrijwel lege ruimte, vallen we neer op een barkruk en dringt het tot ons door: Onze vrienden komen niet. Verdomme. Tot hoe laat is deze tent eigenlijk open?
“Tot twaalf uur”, schreeuwt de barman, ”Maar jullie kunnen beter naar huis gaan. Het wordt toch niets meer met dit kloteweer.”

Naar huis? We kunnen niet naar huis.

Nadat de lampen zijn aangegaan en we geholpen hebben met opruimen en schoonmaken, worden we zelf het Dorpshuis uitgeveegd. Het is half één ’s nachts. En nu? We hebben ons plan al weken voorbereid, elk aspect afgewogen, mogelijkheden aangevinkt, afgevinkt en weer aan, maar één ding zijn we vergeten: Als we niet bij mij kunnen slapen en niet bij Jolien, waar slapen we dan?

Stilletjes gaan we op zoek naar een slaapplaats. Zoeken op sportvelden, in brandgangen en bij de melkboer. Uiteindelijk komen we terecht onder de stenen trap bij een school, kruipen tegen elkaar aan en luisteren naar de wind. Hij gebruikt de school als orgel voor de meest vreemde klanken. Best mooi. Best eng.

De periodes tussen ‘op het horloge kijken bij de lantaarnpaal’ worden steeds korter. Geritsel in de struiken. Kou. Enge verhalen over kinderlokkers. Horloge. Schimmelgeur. Er valt iets in de verte. Een piepende deur. Horloge. Angst. We zijn gezien. Geen horloge. Toch niet gezien. Enge verhalen over verkrachters. Horloge. Kou. Horloge. Nog meer geritsel. De wind is eng. Vreselijke verhalen over moordenaars, die dertienjarige meisjes onder schooltrappen doodmaken. Zes uur. Klaar. We gaan naar huis.
Stijf van de kou staan we op, geven elkaar een knuffel en met een ‘Tot morgen op school’ en een ‘Ik hoop dat ze er niet achter zijn gekomen’ fietsen we naar huis.

De wind heeft mijn jas precies midden op mijn rug vastgepakt en duwt me in razende vaart naar huis. ‘Opschieten, jij. Stiekeme leugenaar dat je bent. Dat je maar eens goed op je donder krijgt zometeen’ schreeuwt hij me toe. Ik laat me leiden, besef mijn fout.

Mijn moeder, altijd vroeg op, kijkt verbaasd op als ik binnenkom. Ik zet me schrap voor de straf, maar ze kijkt me slechts met een vreemde blik aan, glimlacht en mompelt dat ze blij is dat ik er ben en dat ik best nog even mag gaan slapen.

“Waar gaat het dan wel om?” roept mijn dochter me terug de realiteit in.
“Het gaat erom dat ik mijzelf niet geloof.”










Reacties
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl